Belanghebbende, een Rijnvarende die in 2011 deels in Nederland en deels in Zwitserland werkte, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2011. De inspecteur legde een aanslag op met een belastbaar inkomen uit werk en woning van €49.393 en uit sparen en beleggen van €628, inclusief heffingsrente. Belanghebbende betwistte onder meer het recht op aftrek volgens de werkkostenregeling en vorderde vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende recht heeft op een aftrek van 1,4% van het loon, conform artikel 3.84, tweede lid, Wet IB 2001, omdat zijn werkgever geen inhoudingsplichtige was. De inspecteur kon niet aannemelijk maken dat het loon hoger was dan het aangegeven bedrag van €63.943. De aanslag werd daarom verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €48.498.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep met 54 maanden was overschreden, wat leidde tot een vergoeding van immateriële schade van €4.500, waarvan €3.250 voor de inspecteur en €1.250 voor de Minister. Ook werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van in totaal €1.834. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 13 december 2022.