Belanghebbende, een Rijnvarende die in 2013 in Nederland woonde en werkzaam was aan boord van een motortankschip, maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2013. De inspecteur stelde dat belanghebbende premieplichtig was in Nederland en wees het bezwaar af.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur bevoegd was om de premieheffing vast te stellen en dat belanghebbende in januari 2013 premieplichtig was in Nederland op grond van de Rijnvarendenovereenkomst. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de Regeling Tijdelijke Tegemoetkoming Rijnvarenden werd verworpen omdat deze regeling niet van toepassing was in de onderhavige periode.
Verder werd vastgesteld dat belanghebbende recht had op een aftrek van 1,5% van het loon op grond van de werkkostenregeling, waardoor het belastbaar inkomen werd verminderd. De rechtbank stelde het belastbaar inkomen vast op €21.389. De belastingrente werd dienovereenkomstig aangepast.
De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep met 27 maanden was overschreden, wat leidde tot een vergoeding van immateriële schade van €2.500, waarvan €833 voor rekening van de inspecteur en €1.667 voor de Minister. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van €1.787 aan belanghebbende.