ECLI:NL:RBZWB:2022:7654
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning en aanslag OZB met vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB). De heffingsambtenaar handhaafde de waarde van €207.000, maar belanghebbende stelde een lagere waarde van maximaal €193.000 voor. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, onder meer omdat een belangrijk vergelijkingsobject, het buurpand, een hogere waarderingsfactor zou moeten krijgen.
De rechtbank stelde vast dat de taxatie door de heffingsambtenaar was gebaseerd op een matrix met vergelijkingsobjecten waarvan een deel incompleet was aangeleverd, waardoor belanghebbende pas vlak voor de zitting de volledige gegevens kon inzien. De rechtbank volgde het standpunt van belanghebbende dat de verkooptransactie van het buurpand bruikbaar is als hulpmiddel voor een zuivere waardebepaling.
Belanghebbende slaagde er niet in zijn lagere waarde aannemelijk te maken door een eigen taxatie of andere onderbouwing. De rechtbank stelde daarom de waarde in goede justitie vast op €195.000, lager dan de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Tevens werd een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep, waarvan €100 voor de heffingsambtenaar en €900 voor de minister. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €2.063 en vergoeding van griffierecht toegekend.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt verlaagd naar €195.000, de aanslag OZB verminderd, en een immateriële schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.