Belanghebbende verkocht een Audi Q7 aan haar directeur/grootaandeelhouder tegen een lage vergoeding die aanzienlijk lager was dan de taxatiewaarde. De inspecteur stelde dat de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting de taxatiewaarde moest zijn en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een levering onder bezwarende titel omdat een rechtstreeks verband bestond tussen de vergoeding en de prestatie, ondanks de lage vergoeding voortkomend uit de aandeelhoudersrelatie. Daarom moest het factuurbedrag als maatstaf van heffing gelden.
Verder concludeerde de rechtbank dat geen sprake was van misbruik van recht, omdat de transactie geen kunstmatig karakter had en het doel was de overdracht van de auto, ondanks het beoogde belastingvoordeel. Ook werd geoordeeld dat een verkapt dividend niet als tegenprestatie voor de omzetbelasting kon worden gezien vanwege het ontbreken van een rechtstreeks verband.
Het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en een teruggaaf van € 5.457 omzetbelasting toegekend. De inspecteur moest het griffierecht vergoeden.