Eiser had een WW-uitkering die werd beëindigd omdat hij als zelfstandige werkte zonder tijdig zijn indirecte uren door te geven. Het UWV legde een boete van €11.500 op, die later werd verlaagd naar €7.800 na een herzieningsverzoek. Eiser betwistte deze verlaging en stelde dat hij niet bewust informatie achterhield en dat er geen rekening werd gehouden met een korting van 25%.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die herziening rechtvaardigen. De boete was al betaald en de verlaging tot het maximale bedrag dat de strafrechter had kunnen opleggen was conform de vuistregels van de Centrale Raad van Beroep. De rechtbank vond het niet evident onredelijk dat het UWV de boete niet verder verlaagde.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van rechtszekerheid bij herziening van boetebesluiten die al zijn voldaan.