In deze zaak stond het verzoek van appellante centraal om terug te komen op een boetebesluit van 15 mei 2013, opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting onder het zwaardere sanctieregime van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat dit regime fundamentele gebreken vertoonde, waaronder een disproportionele boetehoogte die hoger was dan de maximale strafrechtelijke geldboete.
De Raad constateerde dat het Uwv het verzoek tot herziening onterecht had afgewezen met verwijzing naar het rechtszekerheidsbeginsel en het ontbreken van een lex mitior-toepassing op in rechte vaststaande boetebesluiten. De Raad formuleerde vuistregels voor herziening, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen waarin de boete al volledig is betaald en gevallen waarin dat niet het geval is. In het eerste geval geldt dat alleen herziening nodig is als de boete hoger is dan het strafrechtelijke maximum, in het tweede geval is een beperkte herziening aangewezen op basis van verwijtbaarheid en het strafrechtelijke maximum.
In de onderhavige zaak was appellante de boete al volledig verschuldigd en had zij meer betaald dan het strafrechtelijke maximum van €7.800,-. De Raad stelde de boete daarom vast op dit maximum en vernietigde het bestreden besluit. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv in de proceskosten van appellante. Hiermee werd het onredelijke karakter van het categorisch vasthouden aan het oude boeteregime erkend en werd een evenwichtiger sanctietoepassing gerealiseerd.