ECLI:NL:RBZWB:2022:7910
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen herziening en terugvordering Tozo-uitkering wegens niet gemelde huuropbrengsten
Eisers, ondernemers met een vennootschap onder firma en eigenaar van een bedrijfspand waar kamers worden verhuurd, ontvingen een Tozo-uitkering vanwege de coronacrisis. Het college herzag en trok deze uitkering in over de periode maart 2020 tot en met maart 2021, omdat eisers inkomsten uit verhuur niet hadden gemeld. Het college vorderde de ten onrechte betaalde uitkering van €17.956,23 terug.
Eisers voerden aan dat de huuropbrengsten werden gebruikt voor hypotheeklasten van het bedrijfspand en niet voor levensonderhoud, en dat zij zonder de Tozo-uitkering niet konden rondkomen. Zij verwezen naar eerdere jurisprudentie die een ruimhartige toepassing van de Tozo bepleitte.
De rechtbank oordeelde dat de huuropbrengsten als inkomen moeten worden aangemerkt volgens de Participatiewet, omdat eisers feitelijk over deze middelen kunnen beschikken. Kosten zoals hypotheek en onderhoud kunnen niet in mindering worden gebracht. Door het niet melden van deze inkomsten is de inlichtingenplicht geschonden, wat rechtvaardigt dat het college de uitkering herzag, introk en terugvorderde.
De rechtbank vond geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, ook niet vanwege de persoonlijke omstandigheden van eisers. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en proceskosten werden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening, intrekking en terugvordering van de Tozo-uitkering wordt ongegrond verklaard.