ECLI:NL:RBZWB:2022:8085
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek teruggaaf dividendbelasting wegens onvoldoende bewijs en niet-ingestemde vervangende betaling
Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd beleggingsfonds, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2003/2004 tot en met 2007/2008. De inspecteur wees deze verzoeken af en ook de bezwaren werden verworpen, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat belanghebbende geen dividendnota’s had overgelegd, waardoor niet aannemelijk was dat Nederlandse dividendbelasting ten laste van haar was ingehouden. Zelfs indien dit werd aangenomen, had belanghebbende niet ingestemd met een vervangende betaling, wat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad een vereiste is voor teruggaaf aan buitenlandse beleggingsfondsen die voldoen aan het fbi-regime.
Daarnaast heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling, met name niet ten aanzien van de aandeelhouderseisen. De rechtbank volgde het arrest van de Hoge Raad waarin werd vastgesteld dat deze eisen niet in strijd zijn met het Unierecht en dat belanghebbende onvoldoende inzicht gaf in haar aandeelhoudersbestand.
Gelet hierop verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en wees het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting af. Ook recht op rentevergoeding werd ontzegd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting af en verklaart de beroepen ongegrond.