ECLI:NL:RBZWB:2022:8325

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 augustus 2022
Publicatiedatum
19 januari 2023
Zaaknummer
22-008043
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 116 SvArt. 117 SvArt. 119 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring klaagschrift en gelasting teruggave inbeslaggenomen goederen op grond van Opiumwet

Op 14 november 2019 vond een doorzoeking plaats waarbij een groot aantal goederen in beslag werden genomen op grond van de Opiumwet. Deze goederen, eigendom van klager, vertegenwoordigen een waarde van €101.225,21. De strafzaak tegen klager werd op 18 januari 2022 geseponeerd en de inbeslaggenomen gelden zijn geretourneerd, maar de goederen zelf niet.

Klager verzocht de rechtbank om de teruggave van de goederen of de waarde daarvan, omdat er geen strafvorderlijk belang meer zou zijn bij het voortduren van het beslag. De officier van justitie stemde hiermee in en gaf aan dat de goederen inmiddels zijn vervreemd met toepassing van artikel 117 Sv Pro, waardoor het beslag op de waarde berust.

De rechtbank oordeelde dat het klaagschrift tijdig en ontvankelijk was en dat het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave. Er is geen aanwijzing dat een ander dan klager als rechthebbende kan worden beschouwd. Daarom werd het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave van de goederen aan klager gelast. De rechtbank stelde dat de waarde van de vervreemde goederen niet door haar vastgesteld wordt, maar dat partijen hierover zelf overeenstemming moeten bereiken.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt gegrond verklaard en de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan klager wordt gelast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02/013652-22
rk.nummer: 22-008043
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]vertegenwoordigd door [naam] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. C.J.M. Jansen, Tivolistraat 18, 5017 HP Tilburg
hierna te noemen: klager.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 14 november 2019 onder in het strafvorderlijk onderzoek tegen klager in beslag zijn genomen een zeer groot aantal goederen die in verband zouden kunnen worden gebracht met de hennepteelt.
  • het klaagschrift, ingediend op 15 april 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 22 juli 2022. Gehoord zijn de officier van justitie, klager, vertegenwoordigd door [naam] en mr. C.J.M. Jansen als gemachtigd raadsman van klager.
Namens klager is aangevoerd dat er op 14 november 2019 een doorzoeking is geweest op de locatie waar klager is gevestigd. Hierbij zijn een groot aantal goederen in beslag genomen op grond van de Opiumwet. Het gaat om enkele honderden in beslag genomen producten. Hier zijn diverse beslaglijsten over opgesteld die toezien op de productsoort, de hoeveelheden en de locatie waar het product is aangetroffen. Alle goederen behoren in eigendom toe aan klager. Klager is de mening toegedaan dat een verdere inbeslagname geen redelijk strafvorderlijk doel meer dient. Er is geen strafvorderlijke waarheidsvinding (meer) aan de orde en een vordering tot ontneming ligt niet in de rede. De strafzaak tegen klager is geseponeerd per 18 januari 2022. De inbeslaggenomen gelden zijn geretourneerd. De producten die in beslag zijn genomen zoals vermeld op de in het klaagschrift toegevoegde beslaglijst (productie 1), zijn echter tot op heden niet terug ontvangen. Deze producten vertegenwoordigen een verkoopwaarde van € 101.225,21. Klager verzoekt de rechtbank het klaagschrift gegrond te verklaren onder teruggave van de in beslag genomen goederen dan wel de waarde die deze goederen vertegenwoordigen.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat er geen strafvorderlijk belang meer aanwezig is wat de inbeslagname van de goederen nog langer vordert. De goederen kunnen teruggegeven worden aan klager. Daarbij merkt de officier van justitie op dat de goederen, inmiddels, zijn vervreemd met toepassing van artikel 117 Sv Pro. en dat het beslag thans op de waarde van de goederen berust.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Ingevolge artikel 116, eerste lid, Sv doet het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het Openbaar Ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. Dit is bijvoorbeeld van belang bij een klaagschrift dat is gericht tegen het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen voorwerpen terug te geven aan anderen dan de beslagene. In dat voornemen ligt, gelet op artikel 116, eerste lid, Sv, besloten dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Het staat de rechter dan niet vrij bij de beoordeling van het klaagschrift te treden in de vraag of zodanig belang aan de teruggave in de weg staat.
Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de goederen is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag gegrond verklaren en de teruggave van de inbeslag genomen goederen aan klager gelasten.
Voorts is het, gelet op artikel 119 Sv Pro. niet aan de rechtbank om de vervangende waarde van het vernietigde of vervreemde goed vast te stellen. Partijen dienen hierover zelf overeenstemming te bereiken (via de bewaarder Domeinen Roerende zaken).

3.De beslissing

De rechtbank
verklaart het klaagschrift gegrond;
gelast de teruggave van:
-
de onder klager in beslag genomen goederen volgens de daartoe bestemde beslaglijsten;
aan klager.
Deze beslissing is op 5 augustus 2022 gegeven door mr. A. Hello, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 augustus 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).