Eiser vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van bewindvoering, griffierecht en advocaatkosten. Het college Tilburg wees de aanvraag aanvankelijk volledig af wegens het niet noodzakelijk achten van de kosten en schending van de inlichtingenplicht. Na bezwaar werd een deel van de bijzondere bijstand toegekend, maar de aanvraag voor de intakekosten, eerdere maandkosten en griffierecht bleef afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat het college het besluit van januari 2020, waarin werd gesteld dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld vanwege onvoldoende informatie over de woonsituatie, ten onrechte heeft gebruikt om bijzondere bijstand te weigeren. Eiser heeft aanvullende stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in de periode in kwestie bijstandsbehoeftig was.
Het college hanteert een beleid waarbij bijzondere bijstand in principe vooraf moet worden aangevraagd, maar met terugwerkende kracht kan worden toegekend tot zes maanden voorafgaand aan de aanvraag, mits aan voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank stelt vast dat dit beleid buitenwettelijk begunstigend is, maar toetst of het beleid consistent is toegepast.
De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat het college op basis van de ingediende stukken alsnog moet vaststellen of eiser in de periode van 9 januari tot en met 3 februari 2020 bijstandsbehoeftig was. Indien dat het geval is, moet bijzondere bijstand worden toegekend. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.