Belanghebbende, woonachtig in het buitenland, ontving in 2018 een uitkering en pensioenuitkering uit Nederland. Een deel van het pensioen werd betaald aan zijn ex-partner. De inspecteur stelde een Niet in Nederland Belastbaar Inkomen (NiNbi) vast zonder rekening te houden met deze betaling, aangezien hij deze als alimentatie kwalificeerde. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat het om een zelfstandig vermogensrecht van de ex-partner gaat, niet om alimentatie.
De rechtbank oordeelt dat het NiNbi moet worden verminderd tot negatief € 7.199, waarbij rekening wordt gehouden met de pensioenbetaling aan de ex-partner. De rechtbank baseert zich op de relevante bepalingen uit de Algemene Wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). De rechtbank benadrukt dat het toetsingsinkomen uitsluitend wordt bepaald door het vastgestelde NiNbi-bedrag en het belastbare loon.
De rechtbank wijst het bezwaar van belanghebbende toe, vernietigt de uitspraak op bezwaar en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht. Tevens wordt benadrukt dat de wijze van verwerking van de pensioenbetaling van belang is voor de correcte berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De uitspraak is onherroepelijk na het verstrijken van de beroepstermijn.