ECLI:NL:RBZWB:2023:1054

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2023
Publicatiedatum
16 februari 2023
Zaaknummer
AWB- 23_489 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 PWArt. 17 PWArt. 54 PWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens weigering huisbezoek

Verzoekster ontving sinds 2015 een bijstandsuitkering die het college van burgemeester en wethouders van Tilburg op 13 januari 2023 introk wegens het niet vaststellen van het recht op bijstand. Dit volgde op een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij een hoog water- en energieverbruik en waarnemingen van de auto van haar zoon aanleiding waren voor twijfel.

Verzoekster weigerde mee te werken aan een huisbezoek, ondanks uitleg over de gevolgen en een bedenktijd. Zij stelde dat het huisbezoek onrechtmatig en disproportioneel was, en dat het college minder ingrijpende middelen had kunnen inzetten, zoals gesprekken met haar zoons of een buurtonderzoek.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college op basis van concrete feiten en omstandigheden, waaronder het hoge verbruik en waarnemingen, redelijkerwijs mocht twijfelen aan de juistheid van de opgegeven woonsituatie. Minder ingrijpende middelen waren niet effectief of passend. Door de weigering van het huisbezoek kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, rechtvaardigt dit de intrekking.

Hoewel het college ten onrechte bepaalde wetsartikelen in het besluit noemde, kan dit in bezwaar worden hersteld. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en dat er geen reden is voor een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/489 PW VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2023 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college, verweerder,
(gemachtigde: mr. A.D.M. Rombouts).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de intrekking van haar uitkering op grond van de Participatiewet (PW).
Met het bestreden besluit van 13 januari 2023 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. G.A.R. Wieleman, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoekster, en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het besluit

Verzoekster ontving met ingang van 11 oktober 2015 een bijstandsuitkering. Zij heeft twee zoons: [naam zoon 1] en [naam zoon 2] . [naam zoon 2] staat sinds eind 2018 niet meer ingeschreven op verzoeksters adres. [naam zoon 1] is daarvoor al uitgeschreven.
Met het bestreden besluit heeft het college verzoeksters bijstandsuitkering met ingang van 11 januari 2023 ingetrokken, omdat het recht daarop niet is vast te stellen. Het college stelt dat verzoekster geweigerd heeft mee te werken aan een noodzakelijk huisbezoek, ondanks dat de gevolgen van het niet-meewerken aan haar zijn uitgelegd en aan haar tijd is gegeven haar weigering te overdenken.
Op 23 januari 2023 heeft verzoeksters zoon [naam zoon 2] zich weer op haar adres laten inschrijven en op 25 januari 2023 heeft verzoekster bij het college een nieuwe aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Op die aanvraag is nog niet beslist.

Verzoek

Verzoekster stelt dat het (voorgenomen) huisbezoek onrechtmatig was, omdat er onvoldoende grond was om een huisbezoek af te leggen. Het college heeft verzoeksters bijstandsuitkering dan ook onrechtmatig beëindigd. Hierdoor kan verzoekster niet meer voorzien in het levensonderhoud. Zij heeft daarom een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Volgens verzoekster was het afleggen van een huisbezoek buitenproportioneel. Uit het dossier blijkt dat het college al een lange periode bekend is met haar hoge water- en elektraverbruik. Hierover is met haar gesproken en in verband hiermee zijn handhavers al aan de deur geweest. Vervolgens is het onderzoek gestaakt. Steeds wordt teruggekomen op het verhoogde verbruik. Bij herhaling moet verzoekster zich verantwoorden, hetgeen zij steeds heeft gedaan. Er is geen aanvullend concreet bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de woon- en leefsituatie op verzoeksters adres niet juist is. Volgens verzoekster was er onvoldoende grond om een huisbezoek af te leggen. Het hoge verbruik is daarvoor onvoldoende, mede gelet op de verklaring die zij daarvoor heeft gegeven.
Daarnaast stelt verzoekster dat het afleggen van een huisbezoek in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel. Het college had kunnen volstaan met een minder ingrijpend middel om de woon- en leefsituatie op haar adres te onderzoeken. Van het college mocht verwacht worden dat hij meer onderzoek naar het verblijf van verzoeksters kinderen zou hebben gedaan, omdat kennelijk het vermoeden is dat zij bij verzoekster wonen/verblijven. In dit geval zijn slechts op vijf dagen waarnemingen verricht. Dit had uitgebreider gemoeten. Voorts hadden verzoeksters zoons opgeroepen kunnen worden voor een gesprek om te verklaren over hun woon- en leefsituatie. Op deze manier had mogelijk, zonder huisbezoek, duidelijkheid kunnen worden verkregen. Tot slot had een buurtonderzoek verricht kunnen worden met de vraag aan de omwonenden of verzoeksters kinderen bij haar woonachtig zijn. Dat zou minder inbreuk op de privacy van verzoekster hebben gemaakt dan het afleggen van een huisbezoek. Ook om deze reden is er volgens verzoekster onvoldoende grond voor een huisbezoek.
Tot slot stelt verzoekster dat de in het bestreden besluit genoemde artikelen om haar bijstandsuitkering in te trekken onverenigbaar zijn met elkaar.

Juridisch kader

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de PW heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Op grond van het tweede lid verleent de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of de verwachting bestaat dat het besluit van het college, waarbij de bijstandsuitkering van verzoekster is ingetrokken, in bezwaar stand houdt. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord kan er aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
Voordat aan die vraag kan worden toegekomen dient de voorzieningenrechter te beoordelen of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Het college heeft betwist dat verzoekster een spoedeisend belang heeft. Het college wijst daarbij op het saldo van de bankrekening van verzoekster en het voorschot dat zij in het kader van haar nieuwe aanvraag eind februari kan aanvragen. Volgens het college verkeert verzoekster niet in een dreigende situatie. Er dreigt bijvoorbeeld geen huisuitzetting.
De voorzieningenrechter neemt echter wel een spoedeisend belang aan. Het bedrag op verzoeksters rekening betreft slechts een klein bedrag – onvoldoende om bijvoorbeeld de huur van te voldoen – en voorlopig kan verzoekster nog geen voorschot op haar bijstandsuitkering aanvragen. De voorzieningenrechter ziet daarom voldoende reden om een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening aan te nemen.
De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dit oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Intrekking bijstandsuitkering
Voorop dient te worden gesteld dat het besluit tot intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
Belanghebbende is verplicht de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de PW. Als hij de medewerkingsplicht niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert kan de bijstand worden ingetrokken. [1]
Het college heeft verzoeksters bijstandsuitkering ingetrokken, omdat het recht daarop niet is vast te stellen. Het college stelt dat gebleken is dat het water- en energieverbruik van verzoekster, die alleen op het uitkeringsadres stond ingeschreven, gelijk is aan dat van een meerpersoonshuishouden. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatige verstrekking van de bijstandsuitkering heeft het college verzoekster uitgenodigd voor een gesprek op
11 januari 2023. Tijdens dit gesprek kon verzoekster haar water- en energieverbruik onvoldoende verklaren. Het college wilde daarom aansluitend aan dit gesprek een huisbezoek afleggen voor een noodzakelijke controle van verzoeksters woonsituatie. Verzoekster heeft een huisbezoek echter geweigerd, ook nadat de gevolgen van die weigering haar zijn uitgelegd en haar bedenktijd is gegeven.
Uit het Rapport toezicht rechtmatigheid uitkering Participatiewet van het college van
12 januari 2023 blijkt dat de aanleiding voor het onderzoek een interne fraudemelding is geweest. Tijdens heronderzoek in oktober 2022 heeft verzoekster haar recente verbruiksgegevens overgelegd en hieruit bleek een energie- en waterverbruik voor ongeveer 6 personen, terwijl zij toen als enige ingeschreven stond op het uitkeringsadres. In de periode van 22 november tot 6 december 2022 heeft het college vervolgens zeven waarnemingen verricht. Tijdens deze waarnemingen is de auto van verzoeksters zoon [naam zoon 2] met kenteken [nummer kenteken] een aantal keren bij het uitkeringsadres aangetroffen. Op 11 januari 2023 heeft een gesprek met verzoekster plaatsgevonden. Zij heeft toen onder meer het volgende verklaard:

Ik weet dat mijn energieverbruik gegevens op mijn uitkeringsadres heel hoog zijn. Ik heb smetvrees. Ik krijg hiervoor psychologische hulp. Ik douche 3 tot 4 keer per dag. (…) Ik woon daar alleen. (…) Mijn jongste zoon komt soms 1 of 2 keer in de week bij mij slapen. Hij slaapt dan in de logeerkamer. (…) Mijn jongste zoon woont bij mijn oudste zoon en zijn vrouw. (…) Ik doe mijn best om minder gas te gebruiken in mijn woning. Ik heb alleen verwarming in de slaapkamer aan staan. Ik zou echt niet weten waardoor het komt dat het verbruik zo hoog is. (…)’
Op de vraag waarom het elektriciteitsverbruik zo hoog is antwoordde verzoekster:
‘Ik kan hier ook geen antwoord op geven. Ik weet niet hoe dat komt. Ik slaap wel met licht aan. (…)’
Met betrekking tot het aantreffen van [naam zoon 2] auto bij haar adres tijdens de waarnemingen verklaarde verzoekster:
‘Mijn jongste zoon zit nu bij mij in de woning. Hij is regelmatig bij mij. Ik ben met de auto van mijn jongste zoon naar dit gesprek gekomen. Mijn jongste zoon heeft afgelopen nacht bij mij geslapen. Mijn jongste zoon woont niet bij mij.
De rapporteurs geven vervolgens aan dat zij vermoeden dat er meer personen op verzoeksters adres woonachtig zijn en dat zij een huisbezoek willen afleggen om de feitelijke woon- en leefsituatie vast te stellen. Verzoekster verklaart daarop:
‘Ik wil niet meewerken aan dit onderzoek en huisbezoek. Ik wil niemand in mijn woning. U heeft aangegeven dat ik verplicht ben mee te werken aan dit onderzoek en daar hoort het huisbezoek bij. Ik verleen u geen medewerking voor dit onderzoek. U heeft mij uitgelegd dat mijn uitkering per direct wordt ingetrokken wegens het niet verlenen van mijn medewerking om het recht op bijstand vast te stellen. U geeft mij een hersteltermijn om na te denken of ik mee wil werken aan het onderzoek en huisbezoek. Ik blijf bij mijn beslissing. Ik werk niet mee aan dit onderzoek en ook niet aan het huisbezoek. Ik ben klaar met jullie. Ik stop met jullie en dan krijg ik maar geen geld. Ik wil de verklaring niet ondertekenen.’
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat er een redelijke grond voor een huisbezoek bestaat als voorafgaand aan – voor of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en de bijstandverlenende instantie deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. Aldus dient bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op het huisrecht is gemaakt in de zin van artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden tevens te worden onderzocht of het noodzakelijk is om een huisbezoek als controlemiddel in te zetten en of dat controlemiddel proportioneel is. Bij dat laatste is vooral van belang de vraag of is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, in die zin dat aan het bestuursorgaan geen andere passende, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om de rechtmatigheid van de uitkering te onderzoeken. Beide elementen vormen onderdeel van de beantwoording van de vraag of een redelijke grond bestond voor het huisbezoek en het bestuursorgaan zal zich dan ook van beide elementen rekenschap moeten geven voorafgaand aan het inzetten van dit verstrekkende controlemiddel. [2]
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college, met name als gevolg van verzoeksters hoge verbruik van gas, water en elektra, ondersteund door de waarnemingen, kunnen twijfelen aan de juistheid van de door haar opgegeven woon- en leefsituatie. Deze twijfels heeft verzoekster tijdens het gesprek op 11 januari 2023 niet weggenomen. Dat haar verbruik altijd al hoog is geweest en dat het college daarvan wist, betekent niet dat het college geen twijfels meer kon hebben. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat het college verzoeksters woon- en leefsituatie nooit eerder feitelijk heeft onderzocht/kunnen onderzoeken. Ten tijde van eerder onderzoek in 2021 heerste namelijk corona en een andere poging tot huiszoeking in april 2022 is niet gelukt vanwege een ziekmelding door verzoekster. Duidelijkheidrover de woon- en leefsituatie kon naar het oordeel van de voorzieningenrechter alleen worden verkregen met een huisbezoek. Daarvoor waren geen geschikte, minder ingrijpende alternatieven. Een buurtonderzoek of gesprekken met verzoeksters zoons waren in dit geval geen effectief middel. Behalve dat een buurtonderzoek ook belastend zou zijn geweest voor verzoekster, was het om de twijfel aan haar woon- en leefsituatie weg te nemen voor het college nodig om die feitelijke situatie ter plaatse zelf vast te stellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was er dan ook een redelijke grond voor een huisbezoek. Door niet mee te werken aan dit huisbezoek heeft het college kunnen stellen dat het recht op bijstand niet is vast te stellen en verzoeksters bijstandsuitkering daarom kunnen intrekken.
Nu de voorzieningenrechter de verwachting heeft dat het besluit van het college, waarbij de bijstandsuitkering van verzoekster is ingetrokken, in bezwaar standhoudt, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter is het wel met verzoekster eens dat het college ten onrechte het eerste, derde en vierde lid van artikel 54 van Pro de PW in het bestreden besluit noemt. Het college kan dat gebrek echter in bezwaar repareren. Daarin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoekster krijgt daarom geen vergoeding van haar griffierecht of proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.H.D. Sebel, griffier, op 16 februari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 7 juni 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1252) en 4 januari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:50).
2.bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 7 juni 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1252) en 4 januari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:50)