Uitspraak
20 2748 PW, 20/2749 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2022.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2011 bijstand en werd onderzocht vanwege vermoedens van onrechtmatigheid. Uit bankafschriften bleek dat hij maandelijks leefgeld ontving, maar ook huur betaalde voor een opslagruimte en andere kosten, terwijl er nauwelijks pinbetalingen of geldopnames voor levensonderhoud waren. Appellant weigerde medewerking aan een controlebezoek aan de opslagruimte.
Het college beëindigde de bijstand per 12 juli 2019 wegens het niet verlenen van medewerking en trok de bijstand terug over de periode 18 juni 2018 tot 11 juli 2019 vanwege onvoldoende inzicht in zijn inkomsten en vermogen. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep oordeelde de Raad dat er een redelijke grond was voor het controlebezoek en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag. Zijn verklaring dat zijn broer boodschappen deed was niet verifieerbaar en tegenstrijdig met eerdere verklaringen. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging en intrekking van de bijstand.
Uitkomst: De bijstand is terecht beëindigd en ingetrokken wegens het niet naleven van medewerkings- en inlichtingenplicht.