Eiser diende op 29 maart 2021 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering vanaf oktober 2020. Baanbrekers wees deze aanvraag op 24 augustus 2021 af wegens onvoldoende bewijs van huidige inkomsten. Na bezwaar bleef het besluit gehandhaafd. Eiser stelde in beroep dat hij geen inkomen had, werd door zijn ouders onderhouden en zwierf tussen gemeente en tuinhuis van ouders. Hij stelde dat hij eind 2021 al bijstand ontving en dat zijn bijstandbehoevendheid vaststaat.
De rechtbank overwoog dat de bewijslast voor bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat deze voldoende duidelijkheid moet geven over woon- en financiële situatie. Baanbrekers kon niet vaststellen waar eiser verbleef en van welke middelen hij leefde ten tijde van de aanvraag. Eiser heeft geen aanvullende informatie overgelegd in beroep. De onduidelijkheden zijn voor zijn risico.
De rechtbank concludeert dat het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen reden voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.