ECLI:NL:CRVB:2022:1314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en afwijzing bijzondere bijstand wegens onduidelijke woonsituatie
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op het adres van zijn moeder, waar ook de kostendelersnorm werd toegepast. Na een uitspraak van de voorzieningenrechter werd onderzoek gedaan naar zijn werkelijke woon- en verblijfssituatie, waaruit bleek dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef en dit niet had gemeld.
Het college verzocht appellant meerdere malen om bewijsstukken over zijn verblijfplaatsen, maar hij leverde slechts summiere overzichten zonder voldoende onderbouwing of bevestiging door derden. Hierdoor kon het college niet vaststellen of appellant recht had op bijstand of bijzondere bijstand. De bijstand werd daarom ingetrokken over de periode 15 december 2017 tot en met 10 april 2018, en de aanvraag bijzondere bijstand werd afgewezen.
Appellant voerde aan dat hij door de afwijzing in grote problemen kwam en stelde dat er dringende redenen waren voor bijzondere bijstand, maar dit beroep werd verworpen omdat hij niet viel onder de categorieën waarvoor artikel 16 PW Pro geldt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bijstand of bijzondere bijstand zonder correcte en verifieerbare informatie over zijn verblijfplaatsen.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en afwijzing van bijzondere bijstand worden bevestigd wegens onvoldoende bewijs van woon- en verblijfssituatie.