Eiser vroeg bijstandsuitkering aan en gaf aan een studieschuld te hebben. Voorafgaand aan de aanvraag loste hij echter een groot bedrag van zijn studieschuld af, waardoor hij versneld op zijn vermogen inteerde. Baanbrekers kende de bijstand toe als geldlening vanwege dit tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Eiser betoogde dat de aflossing noodzakelijk was en wees op zijn mentale klachten en indicatie banenafspraak, maar kon niet aannemelijk maken dat hij verplicht was de schuld af te lossen. De rechtbank oordeelde dat het aflossen onverplicht was en dat eiser daarmee bewust vervroegd een beroep op bijstand deed.
De rechtbank stelde dat Baanbrekers terecht gebruik maakte van de bevoegdheid om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken en dat de psychische klachten onvoldoende waren om van dringende redenen af te wijken. Het beroep werd ongegrond verklaard.