Uitspraak
16.6294 PW
.Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving in april 2011 een erfenis van €155.396,07 en vroeg in november 2015 bijstand aan. Het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel kende haar bijstand toe, maar verlaagde deze in februari 2016 met 20% gedurende 23 maanden vanwege te snelle intering op haar vermogen, wat duidde op een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlaging ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet sneller dan aanvaardbaar had ingeteerd en dat de maatregel onevenredig was omdat zij ruim vier jaar van de erfenis had geleefd en tot 2015 hoopte weer te kunnen werken.
De Raad oordeelde dat het college terecht uitging van een interingsnorm van 1,5 maal de toepasselijke bijstandsnorm en dat appellante geen bijzondere omstandigheden had om van deze norm af te wijken. De berekeningen toonden aan dat zij vanaf november 2015 nog 38 maanden zonder bijstand had kunnen voorzien in haar levensonderhoud. Het te snelle gebruik van haar vermogen kon haar worden verweten, mede omdat zij al in augustus 2011 werkloos was geworden en redelijkerwijs had kunnen voorzien dat zij op termijn bijstand nodig zou hebben.
Daarmee was de verlaging van de bijstand met 20% gedurende 23 maanden terecht en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 20% gedurende 23 maanden wordt bevestigd wegens te snelle intering op de erfenis.