ECLI:NL:RBZWB:2023:1248
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Bodemzaak
- Dijkman
- Rechtspraak.nl
Betwisting geldleningsovereenkomst tussen voormalige collega’s
Eiser en gedaagde, die elkaar kennen van een gezamenlijk transportbedrijf, zijn in geschil geraakt over de geldigheid van een geldleningsovereenkomst. Eiser stelde dat hij in november 2020 een bedrag van €4.725,- aan gedaagde heeft geleend, met een aanvullende rente van €1.000,-, vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die gedaagde zou hebben ondertekend.
Gedaagde erkende het gesprek en de aanwezigheid in een auto, maar betwistte het bestaan van de overeenkomst en de ontvangst van het geld. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde onvoldoende gemotiveerd had weersproken dat hij de lening verschuldigd was. De rechter hechtte daarbij waarde aan de gedetailleerde verklaring van eiser en een WhatsApp-bericht waarin eiser de terugbetaling herinnerde en gedaagde met een boks-emoticon instemde.
De kantonrechter wees de hoofdsom van €5.725,- en de wettelijke rente toe, maar wees de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af omdat niet was aangetoond dat een kosteloze aanmaning had plaatsgevonden. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €5.725,- plus wettelijke rente en proceskosten aan eiser.