ECLI:NL:RBZWB:2023:1390
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing invaliditeitspensioen en vergoeding immateriële schade
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 6 maart 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin belanghebbende beroep instelde tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2010 tot en met 2017. De kern van het geschil betrof de vraag of het invaliditeitspensioen van belanghebbende, ontvangen van een internationale organisatie, terecht volledig in box 1 werd belast.
Belanghebbende voerde aan dat het invaliditeitspensioen gelijkgesteld moest worden aan ouderdoms- of nabestaandenpensioen en deels in box 3 belast zou moeten worden, conform een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2009. De rechtbank oordeelde echter dat het invaliditeitspensioen een verzekerings- of risicokarakter heeft en verschilt van ouderdoms- en nabestaandenpensioen, waardoor volledige belastingheffing in box 1 terecht is.
Daarnaast stelde belanghebbende dat het motiveringsbeginsel was geschonden en dat het gelijkheidsbeginsel werd overtreden door het niet toepassen van het compromisvoorstel dat geldt voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen. De rechtbank verwierp deze bezwaren en concludeerde dat de inspecteur voldoende heeft gemotiveerd en geen sprake is van gelijke gevallen.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 7,5 jaar kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €8.000 toe. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan belanghebbende toegekend, te betalen door de inspecteur en de Minister van Justitie en Veiligheid.
Uitkomst: De aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2010-2017 blijven in stand; belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.