Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag accijns van €282.448 en belastingrente van €3.954, opgelegd na vondst van 2.845,83 kg onveraccijnsde rooktabak in een loods op haar terrein. De rechtbank beoordeelde het beroep na een zitting waarbij belanghebbende niet aanwezig was, maar wel correct was uitgenodigd.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende feitelijke beschikkingsmacht had over de tabak, omdat deze was aangetroffen in een loods op haar terrein waar haar partner de sleutel van had. Het verweer dat belanghebbende niet wist van de aanwezigheid van de tabak werd verworpen, omdat wetenschap geen vereiste is voor het opleggen van accijnsverplichtingen volgens nationale en Europese wetgeving.
Verder werd geoordeeld dat de inspecteur niet verplicht was het volledige FIOD-dossier te overleggen, maar slechts die stukken die ter beschikking stonden en relevant waren voor de geschilpunten. De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag en de belastingrente terecht waren vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij ook het griffierecht en proceskosten voor rekening van belanghebbende blijven.
Uitkomst: De naheffingsaanslag accijns en belastingrente zijn terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.