AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenuitspraak over kostendelersnorm en commerciële huurprijs in bijstandsuitkering
Eiser, een bijstandsontvanger, is verhuisd naar een adres waar ook twee andere personen stonden ingeschreven. De ISD stelde de kostendelersnorm van toepassing en concludeerde dat eiser geen commerciële huurprijs betaalt, wat eiser betwistte. De rechtbank constateerde dat de ISD niet adequaat is ingegaan op eisers beroep op artikel 18 vanPro de Participatiewet, waarin wordt gesteld dat de bijstand moet worden afgestemd op individuele behoeften.
De rechtbank oordeelde dat de ISD onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huurprijs niet als commercieel kan worden aangemerkt, ondanks dat deze onder de maximale huurprijs van de huurprijscheck ligt. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie waarin wordt benadrukt dat de huurprijs marktconform moet zijn en dat een afweging van alle relevante omstandigheden noodzakelijk is.
Daarom is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en niet zorgvuldig voorbereid. De rechtbank vernietigt het besluit en geeft de ISD de mogelijkheid om binnen zes weken de gebreken te herstellen, waarna eiser kan reageren. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak, inclusief de beslissing over griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt de ISD in de gelegenheid om de gebreken te herstellen binnen zes weken.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4153 PW
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2023 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. F. Ergec,
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (ISD Brabantse Wal; de ISD), verweerder.
Inleiding
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 augustus 2022 (bestreden besluit).
Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Bergen op Zoom op 16 februari 2023. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en eisers moeder en namens de ISD mr. S.H.J. Aarts.
Overwegingen van de rechtbank
1.1
Eiser ontvangt een uitkering van de ISD op grond van de Participatiewet (PW). Eiser is per 1 april 2022 verhuisd (binnen [woonplaats]) naar het adres [adres]. Op dit adres stonden op dat moment nog twee andere personen ingeschreven.
1.2
In een brief van 28 april 2022 heeft de ISD aan eiser gevraagd om uiterlijk 6 mei 2022 aan te geven wat zijn relatie is tot de twee andere personen die wonen op het hiervoor genoemde adres. Voorts is hij verzocht een kopie van zijn huurcontract in te zenden. Eiser heeft hierop gereageerd dat hij een kamerhuurder is, net als de twee andere personen. Hij heeft een huurovereenkomst van 12 februari 2022 overgelegd aan de ISD.
1.3
De ISD heeft op 12 mei 2022 een huisbezoek afgelegd.
1.4
De ISD heeft bij besluit van 2 juni 2022 besloten dat per 1 april 2022 de kostendelersnorm 3 van toepassing is. Volgens de ISD betaalt eiser geen commerciële prijs voor zijn maandhuur.
1.5
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 juni 2022.
1.6
Bij het bestreden besluit zijn eisers bezwaren ongegrond verklaard.
2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat er sprake is van een commerciële huurprijs. Verder stelt hij zich op het standpunt dat de ISD op grond van artikel 18 vanPro de PW gehouden is om de bijstand af te stemmen op zijn individuele behoeften. Dit heeft de ISD nagelaten. Verder heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.
3.1
Met betrekking tot eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat eiser dit beroep onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. Dit beroep slaagt dus niet.
3.2
De rechtbank stelt vast dat eiser reeds in bezwaar een beroep heeft gedaan op toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW. De ISD heeft verzuimd hierop in het bestreden besluit in te gaan.
3.3
De ISD heeft in het bestreden besluit overwogen dat volgens de huurprijscheck de maximale kale huurprijs per 1 juli 2021 € 246,36 bedraagt. Eisers kale huurprijs bedraagt
€ 180,-. De ISD stelt zich op het standpunt dat eiser ook volgens de huurprijscheck geen commerciële huurprijs betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank kan, indien de verschuldigde huurprijs onder de maximale huurprijs van de huurprijscheck ligt, niet uitgesloten worden dat toch sprake kan zijn van een commerciële huurprijs. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3119. Naar het oordeel van de rechtbank moet bij de vraag of sprake is van een commerciële huurprijs, de ISD een afweging maken van alle daarbij van belang zijnde, specifieke omstandigheden. In ieder geval zal daarbij beoordeeld moeten worden of de huurprijs voor de betreffende woonruimte in het economisch verkeer gebruikelijk is en of die prijs in verhouding staat tot de geleverde diensten. In essentie komt het erop neer dat de huurprijs, gelet op de individuele situatie, marktconform moet zijn. De ISD heeft verzuimd in het bestreden besluit een afweging als hiervoor bedoeld te maken.
3.4
Gelet op wat hiervoor onder 3.2 en 3.3 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
3.5
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal de ISD in de gelegenheid stellen om alsnog een gemotiveerd standpunt in te nemen ten aanzien van eisers beroep op artikel 18, eerste lid, van de PW en om een afweging als vermeld in rechtsoverweging 3.3 te verrichten.
4. De rechtbank zal de termijn waarbinnen de ISD de gebreken kan herstellen bepalen op zes weken. Als de ISD hiervan geen gebruik wil maken, dan dient de ISD dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als de ISD wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de ISD. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.
5. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
-stelt de ISD in de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen
binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van
hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;
- draagt de ISD op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid de gebreken
te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de
rechtbank mee te delen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 9 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.