4.2.Partijen worden verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of op grond van de in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW opgenomen uitzonderingssituatie sprake is van een commerciële (onder)huurrelatie tussen appellante en S. In het bijzonder is daarbij in geschil of de rechtbank met het college terecht is uitgegaan van een door appellante betaalde huurprijs van € 250,- per maand en of er sprake is van een commerciële prijs.
4.3.1.De beroepsgrond van appellante dat het college een onderzoeksplicht heeft ten aanzien van de in 4.1.3 genoemde uitzonderingsbepaling omdat sprake is van een belastend besluit, slaagt niet. Het besluit om met toepassing van de kostendelersnorm de bijstand te verlagen is een belastend besluit, waarbij de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden tot verlaging is voldaan in beginsel op het college rust. Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de onder 4.1.4 genoemde uitspraak, rust de bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden van de uitzonderingsbepalingen op de toepassing van de kostendelersnorm echter op degene die zich beroept op deze uitzonderingsbepalingen. Het betoog van appellante dat het college niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht door geen navraag bij S te doen naar de hoogte van de huurprijs, kan daarom niet worden gevolgd. Daarbij komt dat uit de in 4.1.5 opgenomen wettelijke bepaling volgt dat een belanghebbende zijn huurbetalingen dient aan te tonen. Dat S, zoals appellante heeft gesteld, niet mee wilde werken aan het verstrekken van betalingskwitanties maakt niet dat appellante geen andere mogelijkheden had om de (onder)huurbetalingen aannemelijk te maken.
4.3.2.De beroepsgrond van appellante dat het college ten onrechte niet is uitgegaan van een huurprijs van € 350,-, slaagt ook niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij, anders dan is opgenomen in de door haar overgelegde huurovereenkomst van 2 oktober 2014, op en na 1 juli 2015 maandelijks € 350,- aan onderhuur verschuldigd was. Appellante heeft immers in reactie op het in 1.2 genoemde verzoek van het college de huurovereenkomst van 2 oktober 2014 met een (onder)huurprijs van € 250,- zonder enige opmerking of aanvulling aan het college verstrekt. Eerst in bezwaar heeft appellante gesteld dat zij een (onder)huurprijs van € 350,- betaalt en heeft zij daartoe de overeenkomst van 2 oktober 2013 naar voren gebracht. Appellante heeft echter geen betalingsbewijzen van de door haar op en na 1 juli 2015 betaalde huurprijs overgelegd. Uit de in hoger beroep nog door appellante ingezonden bankafschriften is enkel op te maken dat appellante verschillende keren per maand bedragen pinde van € 250,-, € 150,- of € 50,-, tot een totaalbedrag variërend van € 400,- tot € 770,-, per maand. Deze pintransacties kunnen, anders dan door appellante is betoogd, niet dienen als bewijs dat zij van de opgenomen bedragen maandelijks contant € 350,- aan onderhuur betaalde. De stelling van appellante, dat zij niet wist dat zij bij het pinnen naast de voorgeprogrammeerde bedragen tot € 250,- ook gebruik kon maken van een vrije bedrag- en biljetkeuze, maakt dit niet anders. Dit betekent dat het college terecht is uitgegaan van de in de door appellante overgelegde huurovereenkomst van 2 oktober 2014 genoemde huurprijs van € 250,-.
Vaststellen commerciële huurprijs
4.4.1.Het college voert voor de vaststelling van een commerciële huurprijs het in 1.5 uiteengezette beleid. Hieruit volgt dat sprake is van een commerciële huurprijs indien de kale huur gelijk is aan of hoger dan 90% van de maximale huur die vastgesteld wordt met toepassing van de huurprijscheck (berekeningsmethode). Deze beleidsbepaling gaat de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten, voor zover op basis van deze berekeningsmethode een huurprijs als commercieel wordt aangemerkt.
4.4.2.Voor zover een huurprijs met toepassing van de door het college gehanteerde berekeningsmethode echter onder het met de huurprijscheck verkregen huurbedrag blijft, komt de Raad tot een ander oordeel. Allereerst is van belang dat de huurprijscheck van de Huurcommissie weliswaar een (zorgvuldige) indicatie geeft voor een maximale huurprijs van een woning maar geenszins een uitputtende indicatie geeft voor een commerciële huurprijs, zoals hier aan de orde. Dit betekent dat indien de verschuldigde huurprijs onder de maximale huurprijs van de huurprijscheck ligt, niet uitgesloten kan worden dat toch sprake kan zijn van een commerciële huurprijs. Verder volgt uit 4.1.4 en de daarin genoemde uitspraak dat, bij de vraag of sprake is van een commerciële huurprijs, het college een afweging moet maken van alle daarbij van belang zijnde, specifieke omstandigheden. In ieder geval zal daarbij beoordeeld moeten worden of de huurprijs voor de betreffende woonruimte in het economisch verkeer gebruikelijk is en of die prijs in verhouding staat tot de geleverde diensten. In essentie komt het erop neer dat de huurprijs, gelet op de individuele situatie, marktconform moet zijn.
4.4.3.Voor wat betreft de situatie van appellante betekent dit het volgende. Op grond
van 4.3.2 komt doorslaggevende betekenis toe aan de huurovereenkomst van 2 oktober 2014. De door appellante aangevoerde grond dat het haar, in tegenstelling tot de in 1.2 weergegeven inhoud van de overeenkomst, niet was toegestaan van alle genoemde voorzieningen en vertrekken in de woning gebruik te maken, slaagt niet, reeds omdat appellante dit op geen enkele manier heeft onderbouwd. De totale woonlasten van de tweekamerwoning bedroegen voor S, zoals blijkt uit de huurovereenkomst, € 851,- per maand. Appellante betaalde S dus nog geen 30% van de totale woonlasten, terwijl in feite sprake was van het gelijkelijk delen van de beschikbare woonvoorzieningen. Dat kan zeker niet als een commerciële verhouding worden aangemerkt.
4.4.4.De beroepsgrond van appellante dat een huurbedrag van € 250,- met toepassing van de door de belastingdienst gehanteerde methode om de hoogte van de huurtoeslag te bepalen, wel een commerciële prijs tot gevolg zou hebben, kan niet slagen. Deze berekeningsmethode, nog los van de vraag wat de toepassing daarvan voor resultaat zou opleveren, ligt hier niet ter beoordeling voor.
4.4.5.Gelet op 4.4.3 heeft appellante niet aangetoond dat zij voor de onderhuur een commerciële prijs betaalde in de zin van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college met ingang van 1 juli 2015 de toepassing van de kostendelersnorm in de situatie van appellante buiten toepassing had moeten laten.