Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
[naam kind 1],
[naam kind 2]en
[naam kind 3]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, houder van de Congolese nationaliteit en verblijfsvergunning asiel, diende op 30 juni 2020 een verzoek tot naturalisatie in voor zichzelf en zijn drie minderjarige kinderen. Dit verzoek werd aanvankelijk afgewezen vanwege een vermoeden van gevaar voor de openbare orde, omdat eiser zich in de proeftijd van een voorwaardelijk sepot bevond.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, dat bij besluit van 23 augustus 2021 kennelijk ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde dit besluit op 26 april 2022 gegrond en vernietigde het, waarna verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij het nieuwe besluit van 10 oktober 2022 werd het bezwaar alsnog gegrond verklaard en een voorstel tot naturalisatie aan de Koning voorgelegd, omdat de proeftijd zonder problemen was verlopen.
Eiser vorderde vergoeding van proceskosten die in de bezwaarfase waren gemaakt, omdat het eerdere besluit was herroepen en hij eerder in beroep in het gelijk was gesteld. Verweerder wees dit af en stelde dat het nieuwe besluit berustte op gewijzigde omstandigheden en niet op een aan hem te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank volgde verweerder en oordeelde dat de proceskosten terecht niet zijn vergoed, waardoor het beroep van eiser ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.