ECLI:NL:RBZWB:2023:1746
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroepen tegen aanslagen zuiveringsheffing en WOZ-waardering met proceskostenvergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen zuiveringsheffing over 2017 en 2018 en tegen de WOZ-waardering van het betreffende object. De heffingsambtenaar had deze aanslagen en de WOZ-beschikking vernietigd vanwege onjuiste tenaamstelling en mogelijke verwarring op de aanslagbiljetten.
De rechtbank beoordeelde of sprake was van misbruik van recht door belanghebbende en concludeerde dat het instellen van beroepen niet evident voor een ander doel dan het aanvechten van proceskostenvergoeding was gedaan. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar terecht een wegingsfactor van 0,25 toepaste voor de proceskostenvergoeding, omdat de beroepschriften standaard waren en het geschilpunt gering.
Daarnaast stelde belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar niet was overschreden, omdat de bezwaren binnen deze termijn waren behandeld en de daaropvolgende beroepsprocedures niet meetellen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, handhaafde de uitspraken op bezwaar en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.