ECLI:NL:RBZWB:2023:1750

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
AWB- 23_1288 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene plaatselijke verordening gemeente Breda
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot afsluiting toegangspad wegens overlast

Verzoeker heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van een toegangspad nabij zijn woning, vanwege overtredingen van de Algemene plaatselijke verordening. Het college wees het verzoek en een samenhangend verzoek om schadevergoeding af. Na bezwaar en een eerdere afwijzing van een voorlopige voorziening wegens gebrek aan spoedeisend belang, stelde verzoeker opnieuw beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed en onomkeerbaarheid van gevolgen. Verzoeker stelde dat de overlast en hinder door fietsers en scooters dringend moesten worden beëindigd en dat de waarde van zijn woning aanzienlijk werd verminderd. De rechter vond het opleggen van een afsluiting van het pad als voorlopige voorziening een te vergaande maatregel die niet past bij de procedure.

Daarnaast is een financieel belang, zoals waardevermindering van een woning, op zichzelf geen reden voor een voorlopige voorziening. Verzoeker maakte ook niet aannemelijk dat hij in een financiële noodsituatie verkeert. Het schorsen van het besluit zou bovendien niet leiden tot het gewenste onderzoek. Daarom concludeerde de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang ontbreekt en wees het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot afsluiting van het toegangspad wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1288

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2023 in de zaak tussen

[naam verzoeker], uit [woonplaats verzoeker], verzoeker,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft het college verzocht om een toegangspad nabij zijn woning vanwege overtredingen van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Breda afgesloten te houden en de toegang tot het doorgangspad feitelijk onmogelijk te maken voor fietsers, brommers en scooters op werkdagen van 08:00 tot 17:00 uur. Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college dat handhavingsverzoek en een samenhangend verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Verzoeker heeft daar bezwaar tegen gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In een uitspraak van 9 september 2022 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen, vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.
In de beslissing op bezwaar van 17 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de afwijzing van de schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard, het handhavingsverzoek op basis van nieuw onderzoek afgewezen en het primaire besluit in stand gelaten.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningen-rechter opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de uitspraak van de rechtbank niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter opnieuw verzocht om te bepalen dat sprake is van een acute noodsituatie en dat redelijkerwijs niet van verzoeker verlangd kan worden dat hij nog langere tijd enorme overlast moet ondergaan van het gebruik van het doorgangspad door fietsers en scooters. Gelet daarop is volgens verzoeker noodzakelijk dat de overlast en hinder zo snel mogelijk wordt beëindigd. Daar heeft hij aan toegevoegd dat de waarde van zijn woning zeer aanzienlijk wordt verminderd als gevolg van het bestreden besluit. Hij vraagt de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen om deugdelijk en zorgvuldig onderzoek te doen naar het totale aantal verkeersbewegingen per dag en naar de geluidsoverlast en dat onderzoek gedurende meerdere weken te doen plaatsvinden.
4. De voorzieningenrechter blijft van oordeel dat het bij wijze van voorlopige voorziening opdragen dat het college het toegangspad af moet sluiten een te vergaande maatregel is, die niet past bij het karakter van een voorlopige voorzieningenprocedure. Hetzelfde geldt voor het opdragen van verweerder om onderzoek te verrichten of handhavend op te treden. Volgens vaste rechtspraak [1] is een financieel belang – zoals de door verzoeker gestelde waardevermindering van zijn woning – op zichzelf ook geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in een financiële noodsituatie dreigt te verkeren als gevolg van het bestreden besluit. Daarnaast zal het schorsen van het bestreden besluit niet tot gevolg hebben dat het door verzoeker gewenste onderzoek zal worden uitgevoerd. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 17 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ABRvS 21 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:91, r.o. 4.