ECLI:NL:RBZWB:2023:1981

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2023
Publicatiedatum
27 maart 2023
Zaaknummer
BRE 18/2180
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:19 BWArt. 2:23c BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbinding eiseres tijdens procedure

Eiseres, een besloten vennootschap gevestigd in Nederland, stelde beroep in tegen een naheffingsaanslag accijns over de periode van 1 april 2012 tot 10 augustus 2016, inclusief boete en belastingrente. Tijdens de beroepsprocedure werd eiseres failliet verklaard en op 11 mei 2021 ontbonden wegens gebrek aan baten. Er is geen verzoek tot heropening van de vereffening ingediend, noch is er sprake van baten die daartoe aanleiding geven.

De rechtbank heeft de zaak op 23 maart 2023 behandeld, waarbij geen van de partijen aanwezig was. Gezien het feit dat de rechtspersoon niet langer bestaat en geen belanghebbenden zich hebben gemeld om de procedure voort te zetten, concludeert de rechtbank dat het procesbelang is komen te vervallen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Er wordt geen griffierecht teruggegeven en er worden geen proceskosten vergoed. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen van het procesbelang na ontbinding van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 18/2180
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], was gevestigd te [plaats], eiseres (opgehouden te bestaan op 11 mei 2021)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de uitspraak van de inspecteur van 5 maart 2018 op het bezwaar van eiseres tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag accijns over de tijdvakken gelegen in de periode 1 april 2012 tot 10 augustus 2016, de daarbij opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente (aanslagnummer: [aanslagnummer]).

2.Feiten

2.1.
De voormalig gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 11 april 2018 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
2.2.
Gedurende de beroepsprocedure is eiseres, een in Nederland gevestigde besloten vennootschap, in staat van faillissement verklaard.
2.3.
De voormalig curator heeft vervolgens aan de rechtbank meegedeeld dat het faillissement op 11 mei 2021 wegens gebrek aan baten is opgeheven, zodat eiseres per die datum is ontbonden.
2.4.
De rechtbank heeft partijen voor de mondelinge behandeling van het beroep op 23 maart 2023 uitgenodigd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 23 maart 2023 op zitting behandeld. Namens partijen is niemand ter zitting verschenen.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
Eiseres is door haar ontbinding opgehouden te bestaan ingevolge artikel 2:19, eerste en vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Van een verzoek tot heropening van de vereffening is niet gebleken, ook niet met het oog op de onderhavige procedure, zodat eiseres niet is herleefd ingevolge artikel 2:23c, eerste lid, van het BW. Bovendien is niet gebleken van het bestaan van een aan de ontbonden rechtspersoon toekomende bate welke aanleiding zou kunnen zijn de vereffening te heropenen.
3.2.
Gelet op voorgaande staat vast dat de rechtspersoon ten name van wie de aanslag is vastgesteld, de aanslag niet langer zal betwisten en evenmin nog zal betalen. [1] Daar komt bij dat zowel de voormalig curator, de voormalig gemachtigde, als de voormalig bestuurder en tevens voormalig aandeelhouder van eiseres, geen belang kenbaar hebben gemaakt bij het voortzetten van deze procedure. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het procesbelang aan het beroep is komen te ontvallen.

4.Conclusie en gevolgen

Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding tot teruggave van het griffierecht dan wel vergoeding van proceskosten.

5.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechters, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier op 27 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad van 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4910.