Belanghebbende, een WAO-uitkeringsgerechtigde die in 2018 terugkeerde naar Nederland, kreeg aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd over de jaren 2019 en 2020. Deze aanslagen waren gebaseerd op een belastbaar inkomen zonder verrekening van loonheffing, doordat het UWV door een fout geen loonheffing had ingehouden vanaf december 2018.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen en verwees naar de verantwoordelijkheid van het UWV voor de juiste inhouding. De inspecteur handhaafde de aanslagen zonder een belangenafweging te maken tussen naheffing bij het UWV of heffing bij belanghebbende.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur verschillende mogelijkheden heeft om het te weinig ingehouden bedrag te corrigeren, waaronder naheffing bij het UWV. Gezien de fout van het UWV en de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende acht de rechtbank het redelijk dat de naheffing bij het UWV wordt opgelegd in plaats van bij belanghebbende.
Daarom vernietigt de rechtbank de aanslagen en de belastingrentebeschikking en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden bestreden bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.