ECLI:NL:RBZWB:2023:2406

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2023
Publicatiedatum
11 april 2023
Zaaknummer
21/4426, 21/4427 en 21/4428
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h AWRArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering vergrijpboetes en vergoeding immateriële schade in navorderingsaanslagen IB/PVV 2011-2013

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de beroepen van belanghebbende tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2011, 2012 en 2013. De inspecteur had naast de aanslagen ook belastingrente en vergrijpboetes opgelegd en de bezwaren ongegrond verklaard.

Tijdens de zitting bereikten partijen een compromis waarbij de navorderingsaanslagen en belastingrente in stand bleven, maar de vergrijpboetes werden verminderd tot 25% van de nagevorderde belasting, met een extra korting van 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn met anderhalf tot twee jaar. De rechtbank besloot deze vermindering toe te passen.

Daarnaast kende de rechtbank een vergoeding van €1.500 toe voor immateriële schade vanwege de lange duur van de bezwaar- en beroepsprocedure, die ruim 15 maanden overschreed, en een proceskostenvergoeding van €1.920,40 aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar gemaakt op 23 maart 2023.

Uitkomst: De vergrijpboetes worden verminderd en belanghebbende krijgt een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 21/4426, 21/4427 en 21/4428

Uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1] ([land]), belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 september 2021.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2011, 2012 en 2013 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
1.2.
Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen) en aan belanghebbende vergrijpboetes (de boetebeschikkingen) opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen, de belastingrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.
1.4.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde], en namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur].

Beoordeling door de rechtbank

2. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt. Partijen zijn het erover eens geworden dat de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2011, 2012 en 2013 in stand blijven. Verder zijn partijen overeengekomen dat de bij deze navorderingsaanslagen opgelegde vergrijpboetes moeten worden verminderd tot 25% van de nagevorderde belasting, op basis van grove schuld. De vergrijpboetes moeten vervolgens nog met 15% worden verminderd omdat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie (undue delay) met anderhalf tot twee jaar is overschreden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. De boetes worden dan als volgt verminderd:
Jaar
Nagevorderde belasting
Boete 25%
Na vermindering undue delay 15%
2011
€ 9.153
€ 2.288
€ 1.944
2012
€ 9.853
€ 2.463
€ 2.093
2013
€ 6.177
€ 1.544
€ 1.312
3. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien de bedragen van de in rekening gebrachte belastingrente de bedragen van de navorderingsaanslagen volgen, blijven de belastingrentebeschikkingen in stand.
4. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500 in verband met de duur van de bezwaar- en beroepsprocedure. De termijn is aangevangen op 14 januari 2020, de inspecteur heeft op 20 september 2021 uitspraken op bezwaar gedaan en de rechtbank doet uitspraak op 23 maart 2023. De overschrijding van (afgerond) 15 maanden moet geheel worden toegerekend aan de bezwaarfase. De vergoeding komt daarom geheel voor rekening van de inspecteur.
5. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en heeft de zitting bijgewoond. De vergoeding voor de gemachtigde bedraagt € 1.674. Daarnaast krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn reiskosten van € 246,40 (€ 200 retourvlucht Alicante-Amsterdam en € 46,40 retour trein [plaats 2]). De proceskostenvergoeding bedraagt in totaal € 1.920,40. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen betreffende de vergrijpboetes opgelegd bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011, 2012 en 2013 gegrond;
- vernietigt de desbetreffende uitspraken op bezwaar;
- vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 tot € 1.944;
- vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot € 2.093;
- vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 tot € 1.312;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.920,40 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, mr. M.H. van Schaik en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, leden, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 23 maart 2023 openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.