ECLI:NL:RBZWB:2023:2523
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en afwijzing immateriële schadevergoeding
Belanghebbende, huurder van een tussenwoning, betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van € 100.000 per 1 januari 2019 en stelt een lagere waarde van € 75.000 voor. De heffingsambtenaar baseert de waarde op een taxatierapport van een onafhankelijke taxateur, die vergelijkingsobjecten met gelijke kenmerken heeft gebruikt.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De vergelijkingsobjecten zijn vergelijkbaar qua bouwjaar en kwaliteit, en de gedateerde staat van de woning is adequaat meegenomen in de waardering. Argumenten van belanghebbende over dakbedekking en ligging slagen niet.
Belanghebbende verzoekt tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de procedure 37 maanden duurde, wat 13 maanden langer is dan de redelijke termijn, wijst de rechtbank dit verzoek af vanwege het geringe financiële belang van belanghebbende als huurder.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft de WOZ-waarde en ziet geen aanleiding tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.