ECLI:NL:RBZWB:2023:2728
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering ZW-uitkering wegens benadelingshandeling door UWV
Eiser was verkoopmedewerker en meldde zich op 1 oktober 2020 ziek. Na het tekenen van een vaststellingsovereenkomst op 27 november 2020 eindigde zijn dienstverband per 1 maart 2021. Het UWV kende hem vanaf die datum een WW-uitkering toe, maar stelde later vast dat hij ziek was en weigerde de ZW-uitkering vanwege een benadelingshandeling.
Het UWV baseerde zich op medische rapportages van verzekeringsartsen die concludeerden dat eiser vanaf 1 oktober 2020 doorlopend arbeidsongeschikt was. Eiser voerde aan dat hij zich had hersteld en weer was gaan solliciteren, en dat de ziekmelding werkgerelateerd was. De rechtbank vond echter de medische gegevens overtuigend en oordeelde dat eiser ten tijde van het tekenen van de vaststellingsovereenkomst en het einde van het dienstverband arbeidsongeschikt was.
De rechtbank stelde vast dat het UWV terecht een maatregel oplegde wegens benadelingshandeling zoals bedoeld in artikel 45 ZW Pro, en dat geen dringende redenen bestonden om hiervan af te zien. Ook de terugvordering van voorschotten was volgens de rechtbank terecht, omdat eiser geen onaanvaardbare gevolgen aannemelijk had gemaakt.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, hij kreeg geen gelijk en ook geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de ZW-uitkering wegens benadelingshandeling wordt ongegrond verklaard.