ECLI:NL:RBZWB:2023:2775

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2023
Publicatiedatum
24 april 2023
Zaaknummer
23/1155
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen aanslag inkomstenbelasting 2015

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2015, die is vastgesteld op €877.200. Er loopt een bezwaarprocedure tegen deze aanslag en verzoeker heeft uitstel van betaling gekregen voor het volledige bedrag.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat het belang van verzoeker een zuiver financieel belang betreft. Om een voorlopige voorziening toe te kennen op financiële gronden moet verzoeker aannemelijk maken dat hij in een financiële noodsituatie komt of dat het uitblijven van een voorziening tot ernstig en onherstelbaar nadeel leidt. Dit is niet aannemelijk gemaakt, mede omdat uitstel van betaling is verleend.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Er wordt geen inhoudelijke toetsing van de rechtmatigheid van de aanslag gedaan, omdat het spoedeisend belang ontbreekt. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in de bodemprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de aanslag inkomstenbelasting 2015 wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/1155

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2023 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker,

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
2. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om vernietiging van de aan hem over het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag).

Karakter voorlopige voorziening

3. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij gelden als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. [1] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
4. De voorzieningenrechter kan uitspaak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is [2] . De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De inspecteur heeft het te betalen bedrag op de aanslag vastgesteld op € 877.200. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Aan verzoeker is hangende de bezwaarprocedure uitstel van betaling verleend voor het bestreden bedrag.
Connexiteit
6. Er is sprake van een lopende bezwaarprocedure. Daarmee is voldaan aan het vereiste van connexiteit.
Onverwijlde spoed
7. Verzoeker stelt dat sprake is van een noodtoestand omdat hij het bedrag van de aanslag niet kan betalen. Daarnaast stelt verzoeker dat de aanslag evident onrechtmatig is.
Beoordeling
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gestelde belang van verzoeker een zuiver financieel belang is. Om een voorlopige voorziening op financiële gronden te rechtvaardigen zal een verzoeker aannemelijk moeten maken dat hij in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren door de verplichting te moeten betalen [3] of dat sprake is van zodanig nadelige gevolgen dat hij bij het uitblijven van een voorlopige voorziening ernstig en onherstelbaar nadeel zal leiden [4] . Dat is in dit geval niet aannemelijk geworden, mede gezien het feit dat hangende het bezwaar aan verzoeker uitstel van betaling is verleend voor het bestreden bedrag van de aanslag.
9. Nu verzoeker een spoedeisend belang niet aannemelijk heeft gemaakt, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een marginale toetsing van de rechtmatigheid van de aanslag en daarmee ook niet aan de vraag of de aanslag evident onrechtmatig is.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.H. van Schaik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 20 april 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX4378.
4.Gerechtshof Arnhem 3 juli 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX4970.