ECLI:NL:RBZWB:2023:2813
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen box 3-heffing inkomstenbelasting 2017 na kerstarrest Hoge Raad
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, waarbij de box 3-heffing werd vastgesteld op een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €15.493. De inspecteur wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De rechtbank behandelde het beroep mede in het licht van het kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, waarin werd geoordeeld dat het forfaitaire box 3-stelsel sinds 2017 in strijd is met artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM wegens ongelijke behandeling. De wetgever heeft daarop de Wet rechtsherstel box 3 ingevoerd, die een compensatie moet bieden. In deze zaak leidt toepassing van die wet echter niet tot een gunstiger resultaat voor belanghebbende.
Belanghebbende stelde dat het werkelijk rendement lager was dan het forfaitaire rendement en dat de terugwerkende kracht van de Wet rechtsherstel in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het werkelijk rendement lager is en dat de inspecteur de berekening gemotiveerd heeft betwist. Ook is geen sprake van een individuele en buitensporige last, mede omdat het inkomen van de echtgenoot voldoende is om de belasting te voldoen.
De rechtbank concludeert dat de aanslag terecht is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de box 3-heffing 2017 zoals vastgesteld.