Belanghebbende maakte bezwaar tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017, met name tegen de box 3-heffing. Zij stelde dat het werkelijk rendement, inclusief ongerealiseerde verliezen, leidde tot een te hoog vastgesteld belastbaar inkomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het gerechtshof.
Het hof overwoog dat het werkelijk rendement volgens recente arresten van de Hoge Raad ook ongerealiseerde waardeveranderingen omvat. Het hof accepteerde dat het rendement op de familiebanklening en de VvE-onderhoudsreserve nihil was, maar oordeelde dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen niet te hoog was vastgesteld. Het betrekken van resultaten uit andere jaren bij de beoordeling werd afgewezen.
Het incidenteel hoger beroep van de inspecteur werd ingetrokken. Het hof wees het hoger beroep van belanghebbende af en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak is openbaar gedaan op 21 mei 2025.