ECLI:NL:RBZWB:2023:2817
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling erfbelasting bij waardeverlies effectenportefeuille na overlijdensdatum
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag erfbelasting die was vastgesteld op basis van de waarde van een effectenportefeuille op de overlijdensdatum van de erflaatster. De portefeuille was na overlijden geliquideerd, waarbij de opbrengst lager was dan de waarde op overlijdensdatum. Belanghebbende stelde dat dit waardeverlies in aanmerking genomen moest worden om een individuele en buitensporige last te voorkomen, mede vanwege de impact van de COVID-19 pandemie.
De rechtbank bevestigde dat de erfbelasting een tijdstipbelasting is, waarbij de waarde op het moment van overlijden bepalend is. Waardeveranderingen na overlijden zijn niet relevant voor de waardebepaling. Verder oordeelde de rechtbank dat de heffing niet leidt tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, mede omdat de belastingdruk van 44,22% niet uitzonderlijk hoog is en het waardeverlies niet ongewoon is.
Ook de keuze van de erfgenamen om de portefeuille direct na verkrijging te liquideren speelde een rol. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de aanslag en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag erfbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.