ECLI:NL:RBZWB:2023:2818
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling erfbelasting bij waardeverlies effectenportefeuille na overlijdensdatum
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag erfbelasting die was vastgesteld op basis van de waarde van een effectenportefeuille op de overlijdensdatum van de erflaatster. De portefeuille was na overlijden geliquideerd, waarbij de opbrengst lager was dan de waarde op overlijdensdatum, wat leidde tot een hoger belastbaar bedrag dan de daadwerkelijke opbrengst.
De rechtbank stelde vast dat erfbelasting een tijdstipbelasting is, waarbij de waarde op het moment van overlijden bepalend is. Waardeveranderingen na overlijden, zoals waardedalingen door de COVID-19 pandemie, zijn niet relevant voor de waardebepaling. De rechtbank toetste of deze systematiek een schending vormt van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, dat het recht op ongestoord genot van eigendom beschermt.
De rechtbank concludeerde dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid is gebleven en dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last voor belanghebbende. De effectieve belastingdruk van 44,22% en het feit dat waardedalingen na overlijden niet uitzonderlijk zijn, ondersteunen dit oordeel. Ook de keuze van de erfgenamen om de portefeuille direct te liquideren speelt een rol.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard, de aanslag bleef in stand, en hij kreeg geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter Beukers-van Dooren op 24 april 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag erfbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.