Belanghebbende is Nederlander en stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De Belastingdienst legde hem twee naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (mrb) op voor het gebruik van twee personenauto's met Litouwse kentekens in Nederland, waarvoor geen mrb was betaald. Tevens werden verzuimboetes opgelegd. Belanghebbende voerde aan dat het Unierecht van toepassing was en dat de heffing in strijd was met dit recht, omdat de voertuigen eigendom waren van een Litouwse vennootschap en hem als werknemer ter beschikking waren gesteld.
De rechtbank verwierp het beroep op het Unierecht, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 dat de heffing van mrb op buitenlandse voertuigen niet in strijd acht met het Unierecht. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende als ingezetene en feitelijke houder van de voertuigen wordt aangemerkt voor de Wet Mrb. De naheffingsaanslagen waren correct berekend over de relevante perioden en belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd om deze te betwisten.
De verzuimboetes werden eveneens terecht opgelegd, aangezien belanghebbende schuld had aan het niet voldoen van de mrb. Wel werden de boetes gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling. Daarnaast kende de rechtbank immateriële schadevergoeding toe vanwege de termijnoverschrijding en veroordeelde zowel de inspecteur als de minister tot vergoeding van deze schade en de proceskosten. De beroepen werden uiteindelijk ongegrond verklaard.