ECLI:NL:HR:2019:1575
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over rentevergoeding griffierecht en immateriële schade bij overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende, een BV, stelde in cassatie beroep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. De Rechtbank en het Hof hadden de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten, maar het Hof weigerde rentevergoeding over het griffierecht toe te kennen. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof had moeten beslissen dat rentevergoeding over het griffierecht vanaf vier weken na de uitspraak van het Hof verschuldigd is.
Daarnaast ging het geschil over het toepasselijke rentepercentage voor vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Inspecteur had het lage wettelijke rentepercentage van 2% toegepast, terwijl belanghebbende betoogde dat het hogere percentage van 8% voor handelsovereenkomsten van toepassing was. De Hoge Raad verwierp dit, stellende dat immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet samenhangt met een handelsovereenkomst en dus het lagere rentepercentage geldt.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof voor zover het geen beslissing bevatte over rentevergoeding over het griffierecht en bepaalde dat de Staatssecretaris van Financiën het griffierecht van €508 aan belanghebbende moet vergoeden, met rente vanaf vier weken na de uitspraak van het Hof. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.
Dit arrest verduidelijkt de toepassing van wettelijke rente bij vergoeding van griffierechten en immateriële schade in bestuursrechtelijke procedures en bevestigt dat dergelijke vergoedingen niet onder het regime van handelsrente vallen.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat rentevergoeding over griffierecht vanaf vier weken na hofuitspraak verschuldigd is en bevestigt dat immateriële schadevergoeding niet onder het hogere handelsrentepercentage valt.