Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
- hoofdsom huur maand mei 2021 € 2.619,72
- incassokosten € 386,97
- rente
4.De beoordeling
€ 232,00(1 punt)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Huurder huurt sinds 1 mei 2019 een bedrijfsruimte van verhuurder voor vijf jaar. In de huurovereenkomst is geregeld dat delen van de waarborgsom worden terugbetaald indien de huurtermijnen tijdig voldaan zijn. Verhuurder vordert betaling van huur over mei 2021, incassokosten en rente omdat huurder slechts een klein deel betaalde en de rest vermeende verrekende met de waarborgsom.
Huurder stelt dat hij het tweede deel van de waarborgsom mocht verrekenen met de huur, maar verhuurder betwist dit. De kantonrechter oordeelt dat huurder onvoldoende heeft bewezen dat verhuurder akkoord ging met verrekening en dat de waarborgsom nog niet opeisbaar was op het moment van verrekening. Ook heeft huurder niet voldaan aan de voorwaarden voor terugbetaling van de waarborgsom.
De vordering van verhuurder wordt grotendeels toegewezen, met aftrek van het reeds betaalde bedrag. De contractuele rente wordt afgewezen omdat de voorwaarden van de incassogemachtigde niet op partijen van toepassing zijn, maar de wettelijke rente wordt toegewezen. Huurder wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag, wettelijke rente en proceskosten, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van de resterende huur, wettelijke rente en proceskosten; beroep op verrekening met waarborgsom wordt afgewezen.