Eiser stelde beroep in tegen het UWV omdat het niet tijdig besliste op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkeringsaanvraag. Het bezwaar was ingediend op 25 februari 2022 en het UWV had uiterlijk 19 augustus 2022 moeten beslissen, inclusief een termijnverlenging van zes weken. Na ingebrekestelling op 22 augustus 2022 bleef het besluit uit, waardoor het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het UWV alsnog binnen een redelijke termijn een besluit moet nemen. Gezien de noodzaak van een zorgvuldige heroverweging met een fysieke hoorzitting en de achterstanden door een tekort aan verzekeringsartsen, werd een termijn van vier maanden opgelegd. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor overschrijding van deze termijn.
Het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat het geschil nog niet was afgerond. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €468,50 aan eiser. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 16 mei 2023.