ECLI:NL:RBZWB:2023:3615
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid bezwaren en vermindering definitieve aanslag inkomstenbelasting 2017
Belanghebbende is in 2017 veroordeeld voor drugstransport en er werd contant geld aangetroffen in zijn woning. De Belastingdienst legde een voorlopige en later definitieve aanslag IB/PVV en Zvw op met een belastbaar inkomen uit werk en woning van ruim €1,4 miljoen. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagen daadwerkelijk en op het juiste adres zijn verzonden, waardoor de bezwaren ontvankelijk zijn.
De rechtbank beoordeelt vervolgens of de bedragen van €150.000 en €47.050 terecht als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden zijn meegenomen. Voor het bedrag van €47.050 is vastgesteld dat dit toebehoort aan de dochter van belanghebbende en niet in geschil. Voor het bedrag van €150.000 overlegt belanghebbende een brief van de vermeende geldverstrekker waarin sprake is van een lening. De inspecteur heeft geen onderzoek gedaan naar deze lening en kan zijn bewijslast niet aantonen. Daarom wordt dit bedrag niet als belastbaar inkomen aangenomen.
De definitieve aanslag wordt verminderd tot een verzamelinkomen van €97.950, bestaande uit het bedrag van €72.950 en €25.000 winst uit onderneming. De aanslag Zvw blijft ongewijzigd. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De definitieve aanslag inkomstenbelasting 2017 wordt verminderd tot een aanslag berekend naar een verzamelinkomen van €97.950 en de bezwaren worden ontvankelijk verklaard.