ECLI:NL:RBZWB:2023:3643

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2023
Publicatiedatum
26 mei 2023
Zaaknummer
BRE-22-5322
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding toegekend na intrekking beroep parkeerbelasting

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg. Na bezwaar werd het bezwaar gegrond verklaard en een kostenvergoeding toegekend. Belanghebbende stelde beroep in tegen de hoogte van de kostenvergoeding, maar trok het beroep in nadat de heffingsambtenaar alsnog tegemoetkwam.

Belanghebbende verzocht vervolgens om proceskostenvergoeding en wettelijke rente. De heffingsambtenaar wees dit af met verwijzing naar een eerdere uitspraak van een andere rechtbank. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar wel proceskosten moest vergoeden omdat aan het beroep was tegemoetgekomen en het beroep was ingetrokken.

De rechtbank kende een proceskostenvergoeding toe van €209,25, gebaseerd op een puntentelling en een wegingsfactor van 0,25 vanwege de geringe complexiteit. Tevens werd de wettelijke rente toegekend indien betaling niet binnen vier weken na uitspraak plaatsvindt. Het griffierecht van €50,- dient ook door de heffingsambtenaar te worden vergoed.

Uitkomst: De heffingsambtenaar is veroordeeld tot betaling van €209,25 proceskosten en wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

Met dagtekening 8 juli 2022 heeft de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende met aanslagnummer [aanslagnummer].
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar ingesteld.
Bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en een kostenvergoeding toegekend.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde kostenvergoeding.
Bij brief van 20 december 2022 is de heffingsambtenaar alsnog tegemoetgekomen aan belanghebbende.
Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase en om vergoeding van de wettelijke rente.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De heffingsambtenaar heeft de rechtbank meegedeeld dat er geen proceskostenvergoeding moet worden toegekend. De heffingsambtenaar verwijst daarvoor naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland [1] .

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de heffingsambtenaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende en dient er volgens het Bpb een punt voor een proceshandeling te worden toegekend voor het indienen van het beroepschrift. De rechtbank verwerpt het beroep van de heffingsambtenaar op de genoemde uitspraak. De heffingsambtenaar heeft volstaan met een verwijzing naar die uitspraak en het overleggen van algemene voorwaarden van een andere gemachtigde dan die van belanghebbende. Op grond daarvan is er geen aanleiding het betoog van de heffingsambtenaar te volgen. De rechtbank ziet geen reden om geen punt toe te kennen.
De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 209,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 0,25). De wegingsfactor 0,25 (zeer licht) is toegepast gelet op de eenvoud en het geringe gewicht van de beroepsprocedure alsmede de geringe werkbelasting van de gemachtigde.
De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Belanghebbende zal zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar moeten wenden.
Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente, naar de rechtbank begrijpt niet alleen ter zake van het griffierecht, maar ook in verband met de proceskostenvergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist is dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht en/of de proceskostenvergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak [2] .

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 209,25;
- beslist dat, voor zover de proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 26 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.

Voetnoten

2.Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.