Uitspraak
[eiser01],
1.De procedure
- de akte vermindering van eis zijdens [eiser01] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een geschil tussen een sportschoolvereniging en een voormalig lid over betaling van facturen na opzegging van het lidmaatschap. De gedaagde had het lidmaatschap per 6 januari 2020 opgezegd, wat door de vereniging op 7 januari 2020 werd bevestigd. De vereniging vorderde betaling van openstaande facturen tot en met februari 2022, vermeerderd met rente en incassokosten.
De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst was geëindigd na bevestiging van de opzegging en dat facturen na 7 januari 2020 zonder rechtsgrond waren verzonden. De vordering voor die facturen werd daarom afgewezen. De gedaagde erkende een bedrag van €186,69 verschuldigd te zijn voor openstaande facturen tot de opzegdatum, dat inmiddels was betaald.
De kantonrechter kende de buitengerechtelijke incassokosten toe tot het wettelijke minimumbedrag van €40,00 en berekende de wettelijke rente vanaf de datum van ingebrekestelling tot de betaling op €2,13. Daarnaast werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten van €274,22. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering toe voor openstaande facturen tot opzegdatum, incassokosten en rente, en wijst de vordering af voor facturen na opzegdatum.