ECLI:NL:RBZWB:2023:4544

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 juni 2023
Publicatiedatum
29 juni 2023
Zaaknummer
BRE 22_783 en 22_784
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 1 Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kostenvergoeding bezwaar inkomstenbelasting 2019 ondanks administratiekantoor

Belanghebbende diende bezwaar in tegen aanslagen inkomstenbelasting en ZVW 2019 die door de inspecteur waren opgelegd. Hoewel de inspecteur de bezwaren gegrond verklaarde en de aanslagen verminderde, wees hij het verzoek om kostenvergoeding af. Belanghebbende stelde dat het administratiekantoor beroepsmatig rechtsbijstand verleende en daarom recht bestond op vergoeding.

De rechtbank oordeelde dat het enkel indienen van een bezwaarschrift via een administratiekantoor niet betekent dat er sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aangezien belanghebbende feitelijk zelf optreedt in de zaak. De eerdere toezegging van de inspecteur om de aanslagen te verminderen sluit het indienen van bezwaar niet uit.

Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad is in dit geval geen recht op kostenvergoeding. De beroepen van belanghebbende zijn ongegrond verklaard, waardoor het verzoek om kostenvergoeding en terugbetaling van griffierecht wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om kostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt afgewezen omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/783 en 22/784
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 december 2021.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) (de aanslagen) opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. Het verzoek om kostenvergoeding is daarbij afgewezen.
1.3.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Feiten

2. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV over het jaar 2019 ingediend. De inspecteur heeft naar aanleiding van deze aangifte een aantal vragen aan belanghebbende gesteld. Belanghebbende heeft die vragen beantwoord. De inspecteur heeft daarop per email aan belanghebbende aangegeven dat de aangifte zal worden gevolgd zonder correcties. Vervolgens is bij het opleggen van de aanslagen toch afgeweken van de aangifte.
2.1.
Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar ingediend via zijn administratiekantoor “ [Administratiekantoor] ”. Daarbij is verzocht om kostenvergoeding op grond van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraken op bezwaar zijn de aanslagen verminderd, waardoor de aanslagen alsnog conform de aangifte zijn opgelegd. Het verzoek van belanghebbende om kostenvergoeding heeft de inspecteur afgewezen. In beroep is enkel nog in geschil of belanghebbende recht heeft op een (proces)kostenvergoeding.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende in de bezwaarfase recht had op een kostenvergoeding. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het verzoek om een kostenvergoeding terecht afgewezen
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft belanghebbende recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase?
5. Anders dan de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat belanghebbende ervoor heeft gekozen om meteen een bezwaarschrift in te dienen in plaats van eerst telefonisch contact op te nemen met de inspecteur, geen reden is om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase te weigeren. Hoewel belanghebbende met de toezegging van de inspecteur in de e-mail (voorafgaand aan het opleggen van de aanslagen, zie 2) al had mogen verwachten dat de aanslagen alsnog zouden worden verminderd, is het naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk om een bezwaarschrift in te dienen om zijn rechten veilig te stellen. Wel moet dan nog aan de hand van artikel 7:15 van Pro de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden bepaald of sprake is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
6. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand omdat de bezwaar- en beroepschriften zijn ingediend door [Administratiekantoor] . Hij wijst er daarbij op dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening van het administratiekantoor. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat een kantonrechter in 2016 bij beschikking een (proces)kostenvergoeding heeft toegekend voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in een zaak waarin zijn administratiekantoor namens belanghebbende een beroepschrift had ingediend.
7. De rechtbank stelt voorop dat volgens arresten van de Hoge Raad van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand [1] geen sprake is in een geval waarin feitelijk de belastingplichtige zelf optreedt in zijn zaak, ook al geschiedt dit namens een rechtspersoon. [2] Nu belanghebbende feitelijk zelf optreedt in zijn eigen zaak (ook al doet hij dat via zijn administratiekantoor), is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en heeft belanghebbende dus geen recht op een (proces)kostenvergoeding hiervoor. Of het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van de werkzaamheden door het administratiekantoor, is dan niet meer van belang. De beschikking van de kantonrechter uit 2016 kan belanghebbende ook niet baten, omdat de belastingrechter een eigen afweging moet maken en daarbij de arresten van de Hoge Raad als uitgangspunt neemt.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op het verzoek om kostenvergoeding voor de bezwaarfase in stand blijft en belanghebbende geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase krijgt. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende ook geen proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en krijgt hij het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 28 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’sHertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ’sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’sHertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

1.Artikel 1, letter a, van het Bpb.
2.Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5409 en Hoge Raad 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:197.