ECLI:NL:HR:2012:BW5409
Hoge Raad
- Cassatie
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Th. Groeneveld
- Rechtspraak.nl
Opleggen nadere voorlopige aanslag tot negatief bedrag en vergoeding heffingsrente
Belanghebbende kreeg voor de jaren 2006 en 2007 voorlopige aanslagen inkomstenbelasting opgelegd, die ambtshalve werden verminderd zonder vergoeding van heffingsrente. Belanghebbende maakte bezwaar tegen het niet vergoeden van heffingsrente over de tweede helft van die jaren, maar deze bezwaren werden door de Inspecteur en rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.
Het Hof bevestigde deze uitspraken, stellende dat tegen ambtshalve verminderingen geen bezwaar openstaat. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, die het beroep gegrond verklaarde en het Hof-verwijzing uitsprak.
De Hoge Raad stelde vast dat het opleggen van een nadere voorlopige aanslag tot een negatief bedrag mogelijk is en dat de keuze daartoe bij de Inspecteur ligt. Het rentenadeel dat hierdoor ontstaat moet worden vergoed op grond van het evenredigheidsbeginsel. Tevens moet worden onderzocht of het bezwaar tijdig is ingediend binnen zes weken na de definitieve aanslag.
De Hoge Raad vernietigde het Hof-arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen. Proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat belanghebbende zelf namens de praktijk-B.V. optrad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.