ECLI:NL:RBZWB:2023:4579
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep huurder tegen WOZ-waarde woning wegens ontbreken procesbelang
Belanghebbende, huurder van een tussenwoning, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €241.000 die door de heffingsambtenaar was vastgesteld voor 1 januari 2020. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 7 juni 2023.
De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het beroep. Hoewel belanghebbende belanghebbende is in de zin van de Awb, ontbrak het aan een concreet procesbelang omdat niet was gesteld of gebleken dat de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf werd gebruikt voor lokale belastingen of dat een lagere WOZ-waarde zou leiden tot een huurverlaging. Hierdoor kon het beroep belanghebbende niet in een gunstigere positie brengen.
Belanghebbende verzocht tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn van twee jaar was overschreden, maar wees de vergoeding af omdat geen financieel belang of andere omstandigheden waren aangetoond die spanning of frustratie rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, wees het griffierecht en proceskostenvergoedingen af en kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de WOZ-waarde.
Uitkomst: Het beroep van de huurder tegen de WOZ-waarde is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.