ECLI:NL:RBZWB:2023:480
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting wegens gebruik auto tijdens schorsing
Belanghebbende is houder van een bestelauto waarvan het kentekenbewijs was geschorst van 5 november 2020 tot en met 7 juli 2021. Op 23 juni 2021 is vastgesteld dat met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg tijdens deze schorsingsperiode. De inspecteur legde daarop een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete op.
Belanghebbende voerde aan dat hij op 3 mei 2021 geprobeerd had de schorsing op te heffen, maar dat dit kennelijk niet goed was gegaan. Hij was ervan overtuigd dat de schorsing was opgeheven, mede omdat de autoverzekering vanaf die datum liep. De rechtbank oordeelde dat het gebruik van de weg tijdens de geldende schorsing vaststaat en dat een vergissing bij het opheffen van de schorsing daaraan niets afdoet.
De rechtbank bevestigde dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is opgelegd. Ook de verzuimboete is volgens de rechtbank passend en geboden, omdat belanghebbende niet voldeed aan de zorgplicht om te controleren of de schorsing daadwerkelijk was opgeheven. Er was geen sprake van afwezigheid van alle schuld (avas).
Het beroep is daarom ongegrond verklaard, waardoor de naheffingsaanslag en verzuimboete in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting is ongegrond verklaard en de aanslag en boete blijven in stand.