Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
4.3.2.1 Waardoor is [slachtoffer] overleden?
4.3.2.2 Hoe zijn de medicijnen in het lichaam van [slachtoffer] terechtgekomen?
4.3.2.3 Welke strafbare feiten kunnen worden bewezen?
Waardoor is [slachtoffer] overleden?
Hoe zijn de medicijnen in het lichaam van [slachtoffer] terechtgekomen?
- “Ik voel me echt niet goed” (15.58 uur);
- Verdachte heeft morfine, fluvoxamine en zopiclon aan [slachtoffer] toegediend en [slachtoffer] heeft zelf oxycodon ingenomen; of
- Verdachte heeft morfine, fluvoxamine, zopiclon én oxycodon aan [slachtoffer] toegediend.
Welke strafbare feiten kunnen worden bewezen?
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
eist. Er moet sprake zijn van dusdanig gevaar voor ernstige recidive dat maakt dat dwangverpleging geboden is. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat zij uitgaat van een laag recidiverisico, dat onder specifieke omstandigheden met een lange aanloop kan oplopen, voornamelijk in het geval van onmondigen die aan de zorg van verdachte zijn toevertrouwd. De concrete situatie rondom verdachte maakt dat zij niet, in ieder geval niet op korte termijn, de zorg zal krijgen over onmondigen. Haar dochter [naam 2] woont immers sinds het overlijden van [slachtoffer] bij haar biologische vader en is inmiddels op een leeftijd dat zij niet meer volledig afhankelijk is van de zorg van verdachte. Daarbij is het voor verdachte fysiek niet meer mogelijk om zelf kinderen te krijgen. Het ligt ook niet in de rede dat zij, op korte termijn, de zorg zal krijgen over ouderen in haar omgeving (bijvoorbeeld haar moeder, pleegouders).
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
een gevangenisstraf van 10 jaar;
mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel en J. Meeuwissen MSc, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 juli 2023.