ECLI:NL:RBZWB:2023:5077
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende, huurder van een bejaardenwoning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van €127.000 vastgesteld per 1 januari 2020 en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2021. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en de rechtbank behandelde het beroep na een zitting op 2 juni 2023.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voldoende heeft onderbouwd met een taxatiematrix en vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen met vergelijkbare kenmerken en verkoopdata zijn gebruikt. De door belanghebbende aangevoerde bezwaren over de indexering en vergelijkbaarheid van referentiewoningen werden verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing.
Verder werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat het financiële belang van belanghebbende zeer gering was en hij als huurder niet direct door de aanslag werd getroffen. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.