Belanghebbende, woonachtig in Nederland in de jaren 2014 tot en met 2019, gaf geen buitenlandse bankrekeningen aan in haar IB/PVV-aangiften. De inspecteur legde navorderingsaanslagen en boeten op over de jaren 2014, 2016, 2017, 2018 en 2019. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslagen en boeten.
De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslagen over 2014 en 2016 terecht zijn opgelegd, evenals de boeten, maar vermindert deze boeten vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Voor de jaren 2017, 2018 en 2019 worden de aanslagen en boeten deels vernietigd of verminderd. De rechtbank wijst het beroep toe voor deze jaren en vernietigt de boeten voor 2018 en 2019. Tevens wordt belastingrente verminderd in overeenstemming met de aangepaste aanslagen.
Belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank. Het beroep tegen de aanslag Zvw 2019 wordt ingetrokken. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep is voor het overige ongegrond.