Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] (Nieuw-Zeeland), belanghebbende,
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,
de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister.
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
Overwegingen
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond voor zover het de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 en de daarbij vastgestelde boeten en belastingrente betreft;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2017, de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 en de daarbij vastgestelde boeten en belastingrente;
- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2017 alsmede de daarbij vastgestelde boete en belastingrente;
- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 218 met handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 141 met handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- vermindert de belastingrente die is vastgesteld bij de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 in overeenstemming met de vermindering van de aanslagen,
- vernietigt de boeten voor de jaren 2018 en 2019;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar van de inspecteur betreffende de voor de jaren 2014 en 2016 opgelegde boeten;
- vermindert de voor de jaren 2014 en 2016 opgelegde boeten tot respectievelijk € 1.350 en € 1.406;
- bepaalt dat de Minister aan belanghebbende € 1.000 moet betalen aan immateriëleschadevergoeding;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.266;
- gelast de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende te vergoeden.