Eisers zijn eigenaren van een molen met een woning die zij sinds de jaren 70 als vakantiewoning gebruiken en willen deze recreatief gaan verhuren om onderhoud te financieren. Het college wees een handhavingsverzoek af omdat het recreatief verhuren in strijd zou zijn met het bestemmingsplan, maar stelde dat er geen klaarblijkelijk gevaar voor overtreding was.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht stelde dat recreatieve verhuur niet binnen het bestemmingsplan past, omdat het gebruik als molen en woning uitsluitend is toegestaan en recreatief verhuren geen duurzaam karakter heeft. De rechtbank acht het college echter niet bevoegd tot handhaving omdat ten tijde van het besluit geen overtreding was geconstateerd en geen klaarblijkelijk gevaar voor overtreding bestond.
Verder oordeelt de rechtbank dat het college het bestreden besluit niet in strijd met artikel 7:13, zevende lid, Awb heeft vastgesteld, omdat het college de afwijking van het advies van de adviescommissie voldoende motiveerde. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.